
Jurisprudentie
BC5253
Datum uitspraak2008-02-27
Datum gepubliceerd2008-02-27
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200704072/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-02-27
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200704072/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het algemeen bestuur (hierna: het algemeen bestuur) van het waterschap Veluwe (hierna: het waterschap) heeft op 22 juni 2005 de recreatieplas Bussloo (hierna: de recreatieplas) aangewezen als in te richten en in gebruik te nemen regionaal waterbergingsgebied met een maximale peilstijging tot NAP +5,66 meter (hierna: de aanwijzing).
Uitspraak
200704072/1.
Datum uitspraak: 27 februari 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de commissie administratieve geschillen van de provincie Gelderland,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 mei 2007 in zaak nr. 06/3816 in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RGV Holding B.V., gevestigd te Arnhem
en
appellante.
1. Procesverloop
Het algemeen bestuur (hierna: het algemeen bestuur) van het waterschap Veluwe (hierna: het waterschap) heeft op 22 juni 2005 de recreatieplas Bussloo (hierna: de recreatieplas) aangewezen als in te richten en in gebruik te nemen regionaal waterbergingsgebied met een maximale peilstijging tot NAP +5,66 meter (hierna: de aanwijzing).
Bij besluit van 13 juni 2006 heeft de commissie administratieve geschillen van de provincie Gelderland (hierna: de commissie) het daartegen door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RGV Holding B.V. (hierna: RGV) ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 mei 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door RGV ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de commissie een nieuw besluit op het bij haar ingestelde beroep neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de commissie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 3 juli 2007.
RGV heeft een verweerschrift ingediend.
Het dagelijks bestuur van het waterschap Veluwe (hierna: het dagelijks bestuur) heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
RGV heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2007, waar de commissie, vertegenwoordigd door mr. H.M.J. ten Brinke en ir. H.J. Reit, beiden ambtenaar in dienst van de provincie Gelderland, en RGV, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Poorter, advocaat te Nijmegen, en haar [directeur], zijn verschenen. Voorts is daar het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.M. Doude van Troostwijk, ing. R. ten Tusscher en ing. J.B. Meybergh, allen werkzaam in dienst van het waterschap Veluwe, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Waterschapswet zijn waterschappen openbare lichamen die de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel hebben.
Ingevolge het tweede lid betreffen de taken die tot dat doel aan waterschappen zijn of worden opgedragen de zorg voor, hetzij de waterkering, hetzij de waterhuishouding, hetzij beide. Aan waterschappen, die met tenminste een van zulke taken zijn belast, kan daarnaast de zorg voor een of meer andere waterschapsaangelegenheden zijn of worden opgedragen.
Ingevolge artikel 56, eerste lid, is het waterschapsbestuur bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap in het reglement zijn opgedragen.
Ingevolge artikel 77 berust die bevoegdheid bij het algemeen bestuur, voor zover deze niet bij of krachtens reglement, dan wel bij wet of bij algemene maatregel van bestuur, is toegekend aan het dagelijks bestuur, aan de voorzitter of een het bestuur van een afdeling.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Algemeen reglement voor het waterschap Veluwe (hierna: het algemeen reglement), voor zover thans van belang, heeft het waterschap tot taak de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied.
Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, omvat deze taak mede de zorg voor het oppervlaktewaterkwantiteitsbeheer.
Ingevolge artikel 52, eerste lid, wordt het toezicht op het waterschap uitgeoefend door gedeputeerde staten van Gelderland, tenzij anders is bepaald.
Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, zijn aan goedkeuring onderworpen de peilbesluiten, bedoeld in artikel 16 van de Wet op de waterhuishouding, en besluiten tot aanleg of verbetering van kwelkaden.
2.2. RGV betoogt tevergeefs dat het algemeen bestuur niet als partij aan het geding kan deelnemen, omdat het door hem tegen de rechtbankuitspraak ingestelde hoger beroep bij uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2007 in zaak nr. 200704072/2 niet-ontvankelijk is verklaard. Het algemeen bestuur is als het bestuursorgaan dat de recreatieplas als waterbergingsgebied heeft aangewezen belanghebbende bij het besluit van 13 juni 2006 en daarom partij bij het geding.
2.3. De commissie betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de bij het besluit van 13 juni 2006 gehandhaafde aanwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen, heeft miskend dat het waterpeil van de plas niet feitelijk 4,70 meter boven NAP lag, maar fluctueert. Zij verwijst hiervoor naar een eerder verleende ontheffing.
2.3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat de commissie zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het normale waterbeheer sinds de aanleg van de recreatieplas is gericht op het realiseren van een streefpeil tussen 4,90 meter boven NAP en 5,20 meter boven NAP. Zij heeft daarbij terecht betekenis toegekend aan het feit dat RGV en haar rechtsvoorganger ruim dertig jaar het feitelijke peilbeheer hebben uitgevoerd. RGV heeft aannemelijk gemaakt dat dit peilbeheer gericht is geweest op het realiseren van een waterpeil van 4,70 meter boven NAP. Hierbij is in aanmerking genomen dat de bodem van de afsluitbare duiker op 4,70 meter boven NAP ligt en bij dit waterpeil voorzieningen als oeververdedigingen, ballenlijnen en steigers zijn aangelegd. Dat de dijkstoel van het voormalige polderdistrict Veluwe bij besluit van 28 april 1969 aan de rechtsvoorganger van RGV ontheffing heeft verleend voor onder meer het afvoeren van water via een afsluitbare duiker op watergang De Fliert, maakt dit niet anders, nu daarbij de hoeveelheid water die maximaal per tijdseenheid mag uitstromen niet is beperkt. Gesteld noch gebleken is dat de dijkstoel gebruik heeft gemaakt van de bij artikel 5 van deze ontheffing verleende bevoegdheid de hoeveelheid te lozen water per tijdseenheid vast te stellen.
2.4. De commissie betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat bij de bij besluit van 13 juni 2006 gehandhaafde aanwijzing met de belangen van RGV rekening is gehouden.
2.4.1. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor een zorgvuldige belangenafweging vereist is dat de gevolgen van de aanwijzing voor RGV duidelijk zijn. Nu de commissie een onjuist waterpeil van de recreatieplas heeft aangenomen en daarvan is uitgegaan, kleeft een gebrek aan de daarop gebaseerde belangenafweging.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. De commissie wordt op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de commissie administratieve geschillen van de provincie Gelderland tot vergoeding van bij RGV in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 676,73 (zegge: zeshonderdzesenzeventig euro en drieënzeventig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland onder vermelding van het zaaknummer aan RGV te worden betaald;
III. bepaalt dat van de provincie Gelderland € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) aan griffierecht wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Poot
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2008
85-507.